Paling (Anguilla anguilla)
![]() De officiële benaming is paling, maar beroepsvissers spreken over het algemeen over aal. Verder wordt deze vis met zeer veel lokale namen aangeduid: aal, paling, peling, pellik. Slechts de naam zeepaling duidt op een andere soort: de alleen in zee voorkomende congeraal. Alle aal-achtigen zijn van oorsprong tropische vissoorten. Dat heeft voor 'onze' aal ondermeer tot gevolg dat hij gedurende de winter niet actief is, maar een soort winterslaap houdt. De voortplanting van de aal is voor menig wetenschapper een mysterie. De voortplanting is nog nooit in het veld waargenomen. Volgens onderzoekers is het heel waarschijnlijk dat de Europese paling (Anguilla anguilla) wordt geboren in de Sargassozee, nabij de Bermuda eilanden.
Vanuit de Sargassozee drijven de palinglarven met de Golfstroom af richting
Europese en Afrikaanse kust. Een lange tocht, waar de larven 2 tot 7 cm lang,
ongeveer drie jaar over doen. In het vroege voorjaar verschijnen de jonge,
doorzichtige aaltjes (glasaal, ca. 7 cm lang) voor de Nederlandse kust, die
vervolgens het zoete water in trekken. Eenmaal in stromend water, een rivier of
zelfs een kier in een sluis, zwemt de glasaal tegen de stroom in. De aaltjes
eten allerlei levende prooien zoals wormen, watervlooien en insekten. Vanaf een
lengte van 25 centimeter eet de paling ook vis. |
Dat paling ook dood aas zou eten
is een fabeltje. Aal groeit langzaam; marktrijpe aal van ca. 30 cm. is acht à
tien jaar oud. Bij een lengte vanaf 30 cm. (mannetjes) tot 45 cm. (vrouwtjes)
verandert de aal van uiterlijk. Ze worden dan aangeduid als schieraal, vanwege
de witte, schiere buik. Op dat moment trekt de aal opnieuw naar zee, om zich te
gaan voortplanten. In dit stadium belandt een paling in Nederland vaan in een
rokerij. Glipt hij door de mazen van het net, dan gaat de paling terug naar zijn
geboorteplaats. Daar aangekomen legt het wijfje miljoenen eitjes en sterft.
Vervolgens begint met de larven de cyclus weer opnieuw.
|